Zonneparken als nieuw habitat: kansen én kanttekeningen
Wat gebeurt er met de natuur wanneer landbouwgrond verandert in een zonnepark? Vakblad Bionieuws dook in het meerjarige ecologische onderzoek dat de Rijksuniversiteit Groningen uitvoert met steun van de provincie Groningen en Novar. De eerste resultaten laten kansen zien, maar ook belangrijke kanttekeningen.
Een zonnepark verandert meer dan alleen de manier waarop een gebied energie opwekt. Tussen, onder en rond de panelen ontstaat een landschap met andere omstandigheden dan voorheen. Meer schaduw, een andere vochtbalans en minder verstoring zorgen ervoor dat nieuwe combinaties van planten en dieren een plek vinden.
Ecologen spreken daarom over een novel ecosystem: een nieuw type ecosysteem dat niet rechtstreeks te vergelijken is met landbouwgrond, grasland of bos.
Vakblad Bionieuws besteedde in de editie van april 2026 uitgebreid aandacht aan deze ‘natuur tussen de panelen’. In het artikel komen zowel de eerste onderzoeksresultaten als de dilemma’s rondom natuurontwikkeling in zonneparken aan bod.
Bekijk wat de onderzoekers vonden
Wat vertellen loopkevers ons over biodiversiteit in zonneparken? Lees de onderzoeksresultaten en ontdek waarom zonneparken mogelijk een nieuw ecosysteem vormen.

Meer soorten dan op intensief gebruikte referentiepercelen
De eerste onderzoeksresultaten laten zien dat de onderzochte zonneparken meetbaar meer biodiversiteit bevatten dan de intensief gebruikte landbouwgronden waarmee ze zijn vergeleken. Onderzoekers vinden er meer soorten planten, insecten, muizen en vogels.
Dat verschil ontstaat onder andere doordat op de onderzochte zonneparken geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, de grond niet wordt bemest en er minder verstoring plaatsvindt. Vooral de randen van het park, stroken tussen de panelen en andere ruigere plekken bieden ruimte aan natuur.
Onder de panelen zijn de omstandigheden weer anders. Daar is meer schaduw en blijft de bodem vaak vochtiger. Tegelijk ontbreekt er bijvoorbeeld een humuslaag zoals in een bos. Daardoor ontstaat geen kopie van een bestaand natuurgebied, maar een eigen gemeenschap van soorten.
Bij loopkevers zien onderzoekers bijvoorbeeld combinaties van soorten die normaal gesproken niet snel naast elkaar voorkomen. Dat maakt een zonnepark ecologisch gezien een nieuw habitat.
Niet iedere soort profiteert
Meer biodiversiteit betekent niet automatisch dat iedere soort erop vooruitgaat.
Vogels zoals de witte kwikstaart maken gebruik van zonneparken. Voor soorten van het open agrarische landschap ligt dat anders. De veldleeuwerik, kievit en gele kwikstaart broeden nauwelijks in zonneparken zoals die nu meestal worden ingericht.

De winst voor de ene soort kan dus verlies betekenen voor de andere. Wanneer landbouwgrond verandert in een zonnepark, verdwijnt ook leefgebied voor soorten die afhankelijk zijn van een open landschap.
Daarom kijken de onderzoekers niet alleen naar de natuur binnen de hekken van het zonnepark. Ook de omgeving telt mee. Denk aan geschikte percelen voor akkervogels, open ruimtes en natuurzones die het verlies van bestaand leefgebied kunnen opvangen.
Ecologische waarde draait dus niet om één score of één succesverhaal. Het vraagt om keuzes die passen bij de locatie en bij de soorten die daar voorkomen.
Inrichting en beheer maken het verschil
Een zonnepark wordt niet vanzelf ecologisch waardevol. De afstand tussen de panelen, de ruimte aan de randen en de manier waarop de vegetatie wordt beheerd, bepalen mede welke soorten er een plek vinden.
Maaien en het maaisel afvoeren kan de bodem verschralen en kruidenrijk grasland helpen ontwikkelen. Ook gerichte begrazing kan bijdragen. Daarvoor is wel een doordacht beheerplan nodig. Alleen een bloemenmengsel uitstrooien of enkele schapen in het park plaatsen, levert niet automatisch ecologische meerwaarde op.

Meten voordat we conclusies trekken
Toen de eerste grootschalige zonneparken werden gebouwd, was er weinig langjarig onderzoek naar de ecologische effecten. De sector baseerde keuzes op verwachtingen, korte metingen en algemene kennis over natuurbeheer.
Het vijfjarige onderzoek geeft een steviger basis voor keuzes over ontwerp en beheer. Voor Novar betekent dat: meten welke maatregelen werken, waar ze werken en welke soorten ervan profiteren. Wat op de ene locatie werkt, werkt immers niet automatisch op een andere.
De eerste resultaten bieden richting, maar het onderzoek loopt nog. Juist door meerdere jaren te meten, wordt zichtbaar hoe vegetatie en dierpopulaties zich ontwikkelen en welke effecten tijdelijk of structureel zijn.
Van onderzoek naar betere zonneparken
De energietransitie vraagt om ruimte. Tegelijk moeten we zorgvuldig omgaan met de natuur en het landschap waarin we onze projecten realiseren.
Die twee belangen hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar de combinatie ontstaat ook niet vanzelf. Ze vraagt om kennis, samenwerking en de bereidheid om bestaande werkwijzen aan te passen.
Het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen helpt Novar en andere partijen om betere keuzes te maken. Niet op basis van aannames, maar op basis van wat onderzoekers daadwerkelijk in het veld zien.
Een zonnepark verandert een landschap. Daarom moeten we verder kijken dan de hoeveelheid energie die het oplevert. Het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen laat zien waar kansen liggen, waar soorten juist ruimte verliezen en welke keuzes het verschil maken. Die kennis gebruiken we om volgende zonneparken beter te ontwerpen en te beheren.
Bron: Van Maanen, G. (2026). ‘Zonneparken vormen een nieuw habitat en strijdtoneel’. Bionieuws, april 2026, nr. 4, pp. 26–29.